Difference between revisions of "Dutch Genealogical Word List"

From FamilySearch Wiki
Jump to: navigation, search
(I: Added Table)
(J: Added Table)
Line 1,609: Line 1,609:
  
 
==== J  ====
 
==== J  ====
 
+
{| width="90%" class="wikitable"
*'''jaar, jaren''' year, years  
+
|-
*'''jaarlijks '''annual, yearly  
+
! scope="col" | Dutch
*'''jager '''hunter  
+
! scope="col" | English
*'''Januarij, januari''' January  
+
|-
*'''j.d. (jonge dochter) '''unmarried daughter  
+
| jaar, jaren  
*'''j.g. (jong gezel)''' young man, bachelor  
+
| year, years
*'''jicht '''gout  
+
|-
*'''j.m. (jonge man)''' young man, bachelor  
+
| jaarlijks  
*'''jong(e) '''young  
+
| annual, yearly
*'''jongeling '''a youth, unmarried man  
+
|-
*'''jongen '''boy  
+
| jager  
*'''Jood '''Jew  
+
| hunter
*'''joods(e) '''Jewish  
+
|-
*'''juffrouw '''Miss, Madame  
+
| Januarij, januari  
*'''Julij, juli''' July  
+
| January
*'''Junij, juni&nbsp;'''June <br>
+
|-
 +
| j.d. (jonge dochter)  
 +
| unmarried daughter
 +
|-
 +
| j.g. (jong gezel)  
 +
| young man, bachelor
 +
|-
 +
| jicht  
 +
| gout
 +
|-
 +
| j.m. (jonge man)  
 +
| young man, bachelor
 +
|-
 +
| jong(e)  
 +
| young
 +
|-
 +
| jongeling  
 +
| a youth, unmarried man
 +
|-
 +
| jongen  
 +
| boy
 +
|-
 +
| Jood  
 +
| Jew
 +
|-
 +
| joods(e)  
 +
| Jewish
 +
|-
 +
| juffrouw  
 +
| Miss, Madame
 +
|-
 +
| Julij, juli  
 +
| July
 +
|-
 +
| Junij, juni  
 +
| June
 +
|}
  
 
==== K  ====
 
==== K  ====

Revision as of 21:53, 24 September 2017

Dutch Genealogical
Word List
Map of Dutch Speaking Areas.png
Downloadable Word List
Handwriting Help
Associated Countries
Genealogical Word Lists
Dutch Genealogical Word List

Dutch (like English and German), is a Germanic language derived from Old Low Franconian and Old Saxon.

Dutch is spoken in the Netherlands, northern Belgium, the Netherlands Antilles in the Caribbean, and Suriname. Flemish, which is spoken in Belgium, is a major dialect (regional variation) of Dutch. It uses words similar to the words on this list. Afrikaans, a separate language spoken in South Africa, is descended  from Dutch and preserves many older and dialect features of Dutch, but contains many German and English words as well .
Frisian, which is spoken in the Dutch province of Friesland, is a different language from Dutch.
The "Additional Resources" section below will tell you how to use the FamilySearch Catalog to find dictionaries of the various dialects and related languages.

In addition, Dutch is found in some early records of the United States (mostly in New York, New Jersey, Michigan, and Iowa) and in South Africa, Indonesia, Sri Lanka, India, Brazil and Taiwan.

Key Words

To find and use specific types of Dutch records, you will need to know some key words in Dutch. This section lists key genealogical terms in English and the Dutch words with the same or similar meanings.

For example, in the first column you will find the English word marriage. In the second column you will find Dutch words with meanings such as marry, marriage, wedding, wedlock, unite, legitimate, joined, and other words used in Dutch records to indicate marriage.

English Dutch
baptism dopen, doop, gedoopt
birth geboren, geboorte
burial begraven, begraaf
Catholic rooms katholiek, oud katholiek
census volkstelling, bevolking
child, children kind, kinderen
christening (see baptism)
civil registry burgerlijke stand
death overleden, overlijden, gestorven
father vader
husband echtgenoot, man
index tafel, klapper, fiche
Jewish joods
marriage(s) huwelijk(en), trouwen, echt, gehuwden, getrouwd
military militaire, landweer, krijgsmacht
month maand
mother moeder
name, given voornaam, eerste naam
name, surname achternaam, familienaam, bijnaam, toenaam
parents ouders
parish parochie, gemeente
Protestant protestant
supplement bijlage
town, village stad, gemeente, dorp
wife huisvrouw, vrouw, echtgenote
year jaar

Numbers

In some genealogical records, numbers are written out. This is especially true with dates. The following list gives the cardinal (1, 2, 3) and the ordinal (1st, 2nd, 3rd) versions of each number. Days of the month are written in ordinal form.

Cardinal Ordinal
1 een 1st eerste
2 twee 2nd tweede
3 drie 3rd derde
4 vier 4th vierde
5 vijf 5th vijfde
6 zes 6th zesde
7 zeven 7th zevende
8 acht 8th achtste
9 negen 9th negende
10 tien 10th tiende
11 elf 11th elfde
12 twaalf 12th twaalfde
13 dertien 13th dertiende
14 veertien 14th veertiende
15 vijftien 15th vijftiende
16 zestien 16th zestiende
17 zeventien 17th zeventiende
18 achttien 18th achttiende
19 negentie 19th negentiende
20 twintig 20th twintigste
21 eenentwintig 21st eenentwintigste
22 tweeëntwintig 22th tweeëntwintigste
23 drieentwintig 23th drieentwintigste
24 vierentwintig 24th vierentwintigste
25 vijfentwintig 25th vijfentwintigste
26 zesentwintig 26th zesentwintigste
27 zevenentwintig 27th zevenentwintigste
28 achtentwintig 28th achtentwintigste
29 negenentwintig 29th negenentwintigste
30 dertig 30th dertigste
31 eenendertig 31th eenendertigste
40 veertig 40th veertigste
50 vijftig 50th vijftigste
60 zestig 60th zestigste
70 zeventig 70th zevenstigte
80 tachtig 80th tachtigste
90 negentig 90th negentigste
100 honderd 100th honderdste
101 honderd(en)een 101st honderd(en)eerste
200 tweehonderd 200th tweehonderdste
1000 duizend 1000th duizendste

Dates and Time

In Dutch records, dates are often written out. For example:

Donderdag, drie en twintig maart in het jaar van onse heer een duizend acht hondert en zesendertig [Thursday, three and twenty March in the year of Our Lord one thousand eight hundred and six and thirty].

To understand Dutch dates, use the following lists as well as the preceding "Numbers" section.

Months

English Dutch Archaic Form
January Januari louwmaand tanning month
February Februari sprokkelmaand wood-gathering month
March Maart lentemaand spring month
April April grasmaand grass month
May Mei bloeimaand blossom month
June Juni zomermaand summer month
July Juli hooimaand hay month
August Augustus oogstmaand harvest month
September September (7ber) herfstmaand autumn month
October October (8ber) wijnmaand wine month
November November (9ber) slachtmaand slaughter month
December December (10ber) wintermaand winter month

Days of the Week

English Dutch
Sunday Sondag
Monday Maandag
Tuesday Dinsdag
Wednesday Woensdag
Thursday Donderdag
Friday Vrijdag
Saturday Zaterdag

Times of the Day

Dutch birth and death records often indicated the time of day when the birth or death occurred. This is usually written out.

Dutch English
des avonds ('s avonds) in the evening
des middags ('s middags) in the afternoon
des morgens ('s morgens) in the morning
des nachts ('s nachts) in the night
in de namiddag in the mid-afternoon
in de voormiddag in the mid-morning

Alphabetical Wordlist

A

Dutch English
aan upon, to
aangenomen naam named, alias, also known as, assumed name, accepted surname
aannemen to adopt (a child), to assume, to take on
aanneming confirmation
aannemingsdag day of confirmation
aanstaande next, toward, following, expectant, future, impending
aanval stroke, attack
aarde earth (buried in), ground
aardrijkskundig woordenboek gazetteer
acht eight
achtenswaardig respectable, honorable
achtentwintig twenty-eight
achtentwintigste twenty-eighth
achterkleindochter great-granddaughter
achterkleinzoon great-grandson
achternaam surname, last name
achtste eighth
achttien eighteen
achttiende eighteenth
adel nobility
adellijk noble, titled
aderlating bleeding, bloodletting
adresboek directory
advocaat notary, lawyer
afkondigen to post banns
afkondigingen proclamations, banns
afschrift(en) extract, duplicate record, transcript, certified copy
afwezig absent
akte certificate, deed, license
alhier here, at this place, locally
alle all, every
alleen alone, single, only
altijd, steeds always
ambt office, function, post
ambtelijk official, professional
ambtenaar official, registrar, civil servant, clerk
ander(s) other
anders genoemd alias, also known as
angiften intentions (marriage), declarations
Apostolisch Apostolic
April, april April
arbeider laborer
archief archive
archieven archives
Augustus, augustus August
avond ('s avonds) evening, (in the evening)
Avondmaal communion, sacrament

B

Dutch English
bad(plaats) resort, spa, bath
baker dry nurse
bakker baker
bedelaar beggar
bedrag fee, amount (of money)
bedrijf trade, business, concern
begraafplaats cemetery
begrafenis funeral
begraven to bury
behoeftigden needy, indigent
behoren to belong to
beide both
bejaard aged
bekende acquaintance
belasting taxation
Belg(isch) Belgian
België Belgium
bemerking remarks
benadering approximation
berg mountain
beroep trade, occupation
beschrijving description
beslagnemen to seize
besnijdenis circumcision
bet-overgrootvader second great-grandfather
bet-bet-overgrootvader third great-grandfather
betrekking in relation to, relatives
betuiging declaration, expression
bevolking population
bevolkingsregister population register
bewaarder guardian, warden
bewijs certificate, proof
bewijs van overlijden proof of death, death certificate
bewijs van trouwen proof of marriage, marriage certificate
bidden to pray, to request
bijlagen supplemental documents
bijna almost, nearly
bijnaam surname, nickname
bijzit mistress, concubine
binnenkant inside
biografie biography
bisdom diocese
bladzijde (blz.) page
bloedverwant blood relative
bloeimaand blossoming month, May
boek book
boer farmer
boerenarbeider cottager, farmhand, worker
boerenknecht farm worker
bos woods, forest
bosbaas forester
bosch woods, forest (old spelling of the word)
boswachter forester
boven above, over, upstairs
bovengemelden above-mentioned
braaf honest, worthy, good
broeder, broer brother
brouwer brewer
brug bridge
bruid bride
bruidegom bridegroom
buiten(kant) outside
buitenechtelijk illegitimate
burgemeester mayor
burgelijke administralie civil administration
burger citizen
burgerboek citizenship book
burgerlijke ambtenaar civil registrar
burgerlijke stand civil registration, civil administration
burgerschap citizenship
buurman neighbor
buurtschap neighborhood

C

Dutch English
communicanten members, communicants
comparant one who appeared
compareerde appeared before
confirmatie confirmation

D

Dutch English
daar(heen) there
dag day
dag der begravenis day of the burial, burial day
dagelijks daily
dagloner day worker, day laborer
dagteekening document date
dal valley
dat that
datum date
de the
December, december December
deden done
deed did
deel volume, part of
Deen Dane
Deens Danish
degenen those
Denemarken Denmark
derde third
dertien thirteen
dertiende thirteenth
dertig thirty
dertigste thirtieth
des of the
dewelke of which, the which
deze this, these
diarree diarrhea
die those, that
dienst service, employment
dienstbode servant
dienstmeisje servant girl
dienstsmeid maid
dinsdag Tuesday
diocees diocese
dit this
dochter(tje) (little) daughter
doen to do
dominee minister
donderdag Thursday
dood dead
dood geboren stillborn
doodgraver sexton, grave digger
doop baptism, christening
doopdag day of baptism
doopregister baptismal register
Doopsgezinde Mennonite, Baptist
doopvader godfather, baptismal sponsor
door through, by
dopen to baptize
dorp village
drie three
drieëntwintig twenty-three
drieëntwintigste twenty-third
drupped gout
duits German (language)
duitser German (person)
Duitsland Germany
duizend thousand
duizendste thousandth
duplicaat duplicate
dysenterie dysentery

E

Dutch English
echt marriage
echtbreker adulterer
echtelieden spouses
echtgenoot husband
echtgenote wife
echtgenoten husband and wife, spouses
echtscheiding divorce
echtverbintenis marriage
edel(man) noble(man)
een a, an, one
eenendertig thirty-one
eenendertigste thirty-first
eenentwintig twenty-one
eenjarig annual, yearly
eerder before, previously, earlier
eergisteren day before yesterday
eerlijk honest
eertijds formerly
eeuw century
ehelieden spouses
eigenaar owner, proprietor
eigengeërfde yeoman, freeholder
eiland, eilant island
elf eleven
elfde eleventh
elk each, every
emigrant emigrant
emigranten register emigration file
emigratie papieren emigration records
en and
enig only, single
erfenis inheritance
erkennende recognizing, acknowledging
ervan of it
ervoor for it
Evangelisch evangelical

F

Dutch English
fabriek factory, mill
familie-geschiedenis family history
familieleden family members,relatives
familielijst family list, group sheet
familienaam family name, surname
familiewapen familycoat of arms
Februarij, februari February
feestdag feast day, holiday
fiches index cards
florijn guilder
Frankrijk France
frans French

G

Dutch English
gangbaar current
geboorte birth
geboorteakte birth certificate
geboortebewijs proof of birth,birth certificate
geboorteplaats place of birth
geboortetijd time of birth
geboortig born at, native of
geboren born, maiden name, née
gebracht brought, placed, charged, put, been
gedelegeerden delegate, delegates, delegates to
gedoopt baptized, christened
geelzucht jaundice
geen no, none, without
geestelijke priest, clergyman
gegeven given, gave
gehucht hamlet
gehuwd married
geld money
gelegitimeerd legitimized
gelijk same, alike, similar
gemeenschap community, township
gemeente town, municipality, parish
gemeenteraadslid councilman, town councilor
genaamd named
genaamt named
genealogie genealogy
genoemden named, mentioned
gerechtelijk(e) court, judicial
gerechtshof judicial court
Gereformeerd(e) Calvinist Reformed
gering small
gescheiden divorced
geschenk deed, gift, present
geschiedenis history
geslacht sex, gender
geslachtsboom pedigree, family tree
gestorven died
gestorven zonder nageslacht died without issue
geteekend signed, drew
getranscribeerd transcribed
getrouwd married
getuigen witnesses
gewesen former
gezegend blessed, the deceased
gezin immediate family
gezindheid religious affiliation
gezinslijst family group sheet
gezwel, gezwollenheid swelling, tumor
gezworene juryman, person under oath
gisteren yesterday
Godsbeschikking dispensation, God's will
godsdienst religion
goed good, right, correct
graaf count, earl
graafschap county, shire
graf grave, tomb
grasmaand gras month,April
grens border (between countries)
grensgebied border, region
groen green
groet greet, greeting
grondeigenaren property owners
groot large, big, great
groothandelaar trader, merchant
grootmoeder grandmother
grootvader grandfather
gulden guilder (unit of money)

H

Dutch English
haar, hare hair, her, hers
had(den) had
half half
halfbroeder half brother
halfzuster half sister
handel trade, occupation
handtekening signature
handwerksgezel journeyman
hebben to have
heden today
heel all, whole, entire, complete
heer master, gentleman, Mr.
Heer the Lord
heerschappen gentry, lords
hem him
hen, hun them, their, theirs
herbergier innkeeper
herder shepherd
herfst autumn, fall
herfstmaand fall month, September
Hernhutter Moravian
hertog duke
hertogdom duchy
hertogin duchess
Hervormd(e) Dutch reformed
Hessisch Hessian
het it, the
heuvel hill
hij he
hoe how
hoer harlot, immoral woman
hoesten cough
hoger upper, higher
hollands Dutch
honderd hundred
honderdste hundredth
hoofdplaats capital
hoog high
hooimaand hay month, July
houtvester forester
huidziekte measles
huis house
huisgezin immediate family
huishoudster housekeeper
huisland home, native country, homeland
huisvrouw housewife
huizenkant inside, side of a house
hun their
huwelijksaangiften marriage intention
huwelijk marriage
huwelijksaf(aan)-kondigingen marriage banns
huwelijksbijlagen marriage supplements
huwelijksdag day of marriage
huwelijksfeest wedding
huwen to marry

I

Dutch English
immigrant immigrant
in in
ingekomen arrival, immigration
ingezetenen citizen, occupants
inhoud contents
inwoner inhabitant, citizen
is is
italiaans Italian
Italië Italy

J

Dutch English
jaar, jaren year, years
jaarlijks annual, yearly
jager hunter
Januarij, januari January
j.d. (jonge dochter) unmarried daughter
j.g. (jong gezel) young man, bachelor
jicht gout
j.m. (jonge man) young man, bachelor
jong(e) young
jongeling a youth, unmarried man
jongen boy
Jood Jew
joods(e) Jewish
juffrouw Miss, Madame
Julij, juli July
Junij, juni June

K

  • kamer room (in a house)
  • kan can
  • kanaal canal
  • kanker cancer
  • kantwerkster lacemaker
  • karman coachman
  • kasteel castle
  • Katholiek Catholic
  • keizerlijk imperial
  • keizerrijk empire
  • kerk church
  • kerkboek church book,parish register
  • kerkelijk(e) church (pertaining to church)
  • kerkelijk ambt parish office
  • kerkeraads-handelingen church minutes
  • kerkgenootschap religious affiliation
  • kerk meester church warden
  • kerk voogt church warden
  • kil stream, brook
  • kind, kinderen child, children
  • kinkhoest whooping cough
  • klapper index
  • kledinghandelaar clothier
  • kleermaker tailor
  • klein little, small
  • kleindochter granddaughter
  • kleiner smaller, lesser
  • kleinzoon grandson
  • klompenmaker wooden shoemaker
  • km. kilometer
  • knecht servant, laborer, journeyman
  • kohier(en) register(s), ledger(s)
  • koning king
  • koningin queen
  • koninklijk royal
  • koninkrijk kingdom
  • koopman buyer, seller, vendor, trader, merchant
  • kopen to buy
  • koperslager coppersmith
  • koster sexton
  • kraambed childbed
  • kraambed gestorven died in childbirth
  • kraambedkoorts puerperal fever, childbed fever
  • kramer seller, vendor, peddler
  • krampachtig convulsions
  • krampen cramps, convulsions
  • krijgen to receive
  • kuiper cooper
  • kunnen could
  • kwaal disease, complaint
  • kwaliteit status, quality
  • kwartierstaat pedigree, family tree

L

  • laat, laatste tijd late (in the day), lately
  • laatste latter, last
  • lakenvoller (-volder) clothier, fuller
  • land land, country
  • landbouwer farmer
  • landgoed, landbezit estate
  • landkaart map
  • landlieden farmers
  • landman cottager, farmer
  • land verlatend emigrant
  • laten to let, leave, allow
  • leeftijd age
  • leerjongen apprentice
  • leerling student, apprentice, pupil
  • leerlooier tanner
  • leggen to place, put, impose, to lay
  • lente spring (season)
  • lentemaand spring month,March
  • leven to live
  • levend living
  • levenloos without life, stillborn
  • levens-beschrijving biography
  • lidmaten members, membership
  • linker hand left hand
  • links left (direction)
  • linnenwever linen weaver
  • logementhouder innkeeper
  • longontsteking pneumonia
  • longtering consumption, tuberculosis
  • looier tanner
  • louwmaand January
  • Lutheraan, Luthers Lutheran
  • lijk corpse
  • lijnslager rope maker

M

  • maagd virgin, maid, servant girl
  • maand month
  • maandag Monday
  • maar but
  • Maart March
  • mag may (might)
  • makelaar registers real estate registers
  • man husband, man
  • mannelijk male
  • markt market
  • mazelen measles
  • meer lake, more
  • meerderjarige of legal age
  • Meij, mei May
  • meier tenant farmer, bailiff
  • meisje girl
  • melkerij milk factory, dairy
  • melkfabriek milk factory, dairy
  • mengel (mingel) liquid measure, about one to two quarts
  • met with
  • met name named, alias
  • metselaar mason, bricklayer
  • meu aunt
  • meubelmaker furniture maker
  • middag ('s middags) afternoon (in the afternoon)
  • middernacht midnight
  • mijnheer Mr.
  • mijnwerker miner
  • militaire military
  • minderjarige minor, below legal age
  • misschien maybe, perhaps
  • missen to miss, lack
  • mocht might
  • moeder mother
  • moet(en) must
  • mogen may (might have), to allow
  • molen mill
  • mondig verklaring declaration of being of legal age
  • morgen unit of land area, about two acres
  • morgen ('s morgens) morning, tomorrow (in the morning)
  • mijl mile (varying lengths, up to 5.5 km.)

N

  • na after
  • naaister seamstress
  • naam name
  • naar to, toward, for, according to
  • naar gelang van to, after, according to
  • naast beside, following, next (to)
  • nabijkomen approach, approximate
  • nabuur neighbor
  • nacht ('s nachts) night (in the night)
  • namen names
  • namiddag, ('s namiddags) afternoon (in the afternoon)
  • neder low, lower (directional)
  • Nederland the Netherlands
  • nederlands Dutch
  • neef nephew, male cousin
  • neefje nephew, young male cousin
  • negen nine
  • negende ninth
  • negenentwintig twenty-nine
  • negenentwintigste twenty-ninth
  • negentien nineteen
  • negentiende nineteenth
  • negentig ninety
  • negentigste ninetieth
  • neger Negro
  • nicht niece, female cousin
  • nichtje niece, young female cousin
  • niet(s) no, none, not
  • niets nothing
  • nieuw new
  • nimmer never
  • noemen to christen, call, name
  • nog still, yet, other
  • nog in leven still living, surviving
  • nommer, nummer number
  • nooit never
  • noor(s) Norwegian
  • noord north
  • Noorwegen Norway
  • notaris notary
  • november November

O

  • october October
  • of or
  • om for, because of, at, round
  • oma grandma
  • omstreeks about, around 
  • on- un- (prefix)
  • onbekend unknown
  • onder under
  • ondergetekende the undersigned
  • ondertrouw betrothal (already registered)
  • ondertrouw betrothal (already registered)
  • onderwijzer (school) teacher
  • onderwijzeres female teacher
  • onecht kind illegitimate child
  • ongehuwd unmarried
  • ongeleerdheid illiterate, unlearned
  • ongetrouwd single, unmarried
  • ongeveer almost, approximately
  • onkunde inability, incompetence, ignorance, ignorance of
  • onmiddellijk right away, immediately
  • onmondigen minor, under age
  • ons, onze us, our
  • ontvangen to receive, received 
  • ontvanger tax collector
  • onwettig illegitimate, illegal
  • onze, ons us, our
  • opgesteld drafted
  • oogstmaand harvest month,August
  • ook also
  • oom uncle
  • oorkonden records, documents
  • oost east
  • op on, upon
  • opa grandpa
  • opgetreden appeared
  • op heden today, on this day
  • op hoge leeftijd at a great (old) age
  • opnemen to receive
  • opper upper
  • oprecht honest
  • optreden to appear
  • opziener overseer, inspector, guardian
  • organisatie organization, society
  • oud old (age)
  • ouder older, elder
  • ouderdom age
  • ouders parents
  • oudoom great-uncle
  • oudste eldest
  • oudtante great-aunt
  • over above, over, via
  • overeenkomst contract, agreement
  • overgrootmoeder great-grandmother
  • overgrootvader great-grandfather
  • overleden dead, deceased
  • overledene, de the deceased
  • overlevenden survivors
  • overlijden to die
  • overnemen to take over, adopt (an action)
  • overschrijven to extract

P

  • pachter tenant farmer, leaser, one who leases
  • pachter (van belastingen) publican, tax collector
  • Palts, de the Palatinate
  • Paltsgraafschap count palatine (the place)
  • paltsgrafelijk (from the) palatinate
  • parochie parish
  • parochieregisters parish registers
  • Pasen Easter, Passover
  • Pascha Paasover
  • pastoor pastor, priest (Roman Catholic church)
  • patroon manor lord, patron, employer
  • peet godfather, godparent, sponsor
  • peetoom godfather
  • peettante godmother
  • pensionering retirement
  • pest plague, pestilence
  • petemoei godmother
  • peten godparents
  • plaag plague, scourge
  • plaats place
  • planter planter, farmer
  • pokken smallpox
  • Polen Poland, Poles
  • pools Polish
  • poorter citizen, freeman
  • poortersboeken burgher registers
  • portugees Portuguese
  • predikant minister, clergyman (Protestant church)
  • prins prince
  • prinses princess
  • protestant protestant
  • protocol document, register
  • provinciaal provincial
  • provincie provinces
  • Pruis(isch) Prussian
  • Pruissen Prussia

Q

R

  • raad council, counsel
  • recht right (correct), straight, law, justice
  • rechter judge, magistrate
  • rechter(zijde) right side
  • rechter hand right hand
  • rechterlijk legal, court (judicial)
  • rechtmatig rightful, right (correct)
  • rechts right (direction)
  • regering government, administration
  • rekeningen accounts, bills
  • rentenier retired tradesperson, man of means
  • rivier river
  • roede rod (unit of length, about twelve feet or 3.6 meters)
  • rond around, about
  • rood red
  • roodvonk scarlet fever
  • Rooms Katholiek Roman Catholic
  • ruim [ruim 80 = eighty plus years old] large, broad, wide, upwards of
  • Rus(sisch) Russian
  • Rusland Russia
  • rijk empire, kingdom, rich, wealthy
  • rijksarchief national and/orstate archive, public record office

S

  • 's = des of the

Sakser Saxon

  • samen together
  • schaapherder shepherd
  • scheeps of a ship (the ship's)
  • schenking donation, gift
  • schepen alderman, magistrate, ships
  • schepenakten city council records
  • schilder painter
  • schip ship
  • schipper barge man, boatman, skipper
  • schlepel unit of measure, about .7 to 1.3 bushels
  • schoenmaker shoemaker
  • school school
  • schoondochter daughter-in-law
  • schoonzoon son-in-law
  • schoonzuster sister-in-law
  • schriftgeleerde scribe
  • schrijnwerker cabinet maker, joiner
  • schrijver scribe, writer, author
  • schuit barge, boat
  • September September
  • sinds(dien) since
  • slachter, slager butcher
  • slachtmaand slaughter month,November
  • slag hit, stroke, blow
  • slager, slachter butcher
  • slechts but, only, merely
  • sloot ditch
  • slot lock, castle
  • slotenmaker locksmith
  • smid (black)smith
  • soldaat soldier
  • soms sometimes, besides, in addition to 
  • spaans Spanish
  • Spanjaard Spaniard
  • Spanje Spain
  • spoedig quickly, soon, speedy
  • sprokkelmaand wood gathering month, February
  • staat state
  • staats of the state
  • staatsburger citizen
  • stad city, town
  • stamboeken lineage books, genealogical register
  • stamboom pedigree
  • steeds always, still
  • steenbakker brick maker, stone mason
  • stellen to place, put, impose
  • sterven to die
  • stief- step-
  • straat street
  • stroom stream, river

T

  • 't = het the
  • taal language
  • tachtig eighty
  • tachtigste eightieth
  • tafel index, table
  • tanden krijgen getting teeth, teething
  • tante aunt
  • te at, to
  • tegelijk together, at the same time
  • tegen(over) against, across
  • tegenwoordigheid presence, the presence of
  • te huis at home
  • teraardebestelling burial, interment
  • testament last will, testament
  • thuis at home
  • tien ten
  • tiende tithing
  • tiende tenth
  • tienjarige tafels ten-year (decennial) index
  • tiental [tiental dagen = about ten days] decade
  • timmerman carpenter
  • toekomend future, next
  • toekomstig future, prostpective
  • toenaam surname
  • toestaan to let, grant, allow
  • toestemmen to consent
  • touwslager rope maker
  • trouwboek marriage book
  • trouwdag wedding day
  • trouwen to marry
  • tuberculose consumption, tuberculosis
  • tuin garden, yard
  • tuinman, tuinier gardener
  • tussen between
  • twaalf twelve
  • twaalfde twelfth
  • twee two
  • tweede second
  • tweeëntwintig twenty-two
  • tweeëntwintigste twenty-second
  • tweeling twins
  • twintig twenty
  • twintigste twentieth
  • tyfus typhoid fever
  • tyfuslijder typhoid patient
  • tijd time
  • tijdelijk temporary
  • tijdschrift periodical

U

  • uit out of, from
  • uiterlijk outward, external, appearance, at the latest
  • uitgeven to publish
  • uittrekken extract
  • uur hour, o'clock

V

  • vaak often
  • vader father
  • vallende ziekte epilepsy
  • van from, of
  • veehoeder herdsman
  • veertien fourteen
  • veertiende fourteenth
  • veertig forty
  • veertigste fortieth
  • veld field
  • veldwachter constable, policeman, patrolman, village policeman
  • verdrinking drowning
  • vergunning permission
  • verjaardag birthday
  • verklaard declared
  • verklaren to declare
  • verklaring declaration, affidavit, sworn statement
  • verkondigen publish (as in banns), proclaim
  • verlamming paralysis, stroke
  • verlaten to leave, left
  • verleden past
  • verlof leave (soldier's), permission
  • verloofd betrothed, engaged
  • verloofde(n) engaged person(s), fiancée, fiancé
  • verloving betrothal, engagement
  • verpandings-kohieren tax ledger
  • verscheiden to pass away or die, various, different
  • verschijnt appears
  • verstopping obstruction, blockage
  • vertering consumption, tuberculosis
  • vertrokken departed, moved, gone away
  • verver dyer, house painter
  • verwantschap relationship
  • verwijderen to remove, to withdraw
  • vestigen to settle, establish
  • vesting fortress
  • vier four
  • vierde fourth
  • vierentwintig twenty-four
  • vierentwintigste twenty-fourth
  • visser fisherman
  • vleeshouwer butcher
  • vlij marsh, swamp
  • V.O.C. Dutch East Indies Company
  • voerman coachman
  • volbracht performed, completed, finished
  • volbrengen to finish, complete
  • volgend following, next
  • volgende dag (the) following day
  • volgens to, after, according to, follows
  • volkstelling census, population records
  • volmacht authorization
  • voltooien to finish, complete
  • voltrekkingen solemnization
  • vondeling foundling
  • voogd guardian
  • voor for, in front of, before
  • vooraf(gang) previous, preceding
  • voorafgaand former
  • voorafgaande dag the previous day
  • voorbij [voorbij gaan = gone by] past, beyond, over
  • voorgaand previous, preceding
  • voorheen previous, formerly, in former days 
  • voorjaar spring (season)
  • voorlezing reading, reading aloud
  • voormeld  before mentioned, said, stated
  • voormiddag morning, forenoon (in the morning)
  • voornaam given name
  • voornoemde above-mentioned, aforesaid
  • voorouder ancestor
  • voortekening over his signature
  • voorts furthermore, moreover, further, addition, also
  • voortgebracht produced, generated, produced in, brought forth, emitted
  • voorvader ancestor, forefather
  • vorig previous, preceding
  • vorige dag previous day
  • vormer framer, molder
  • vormsel Catholic confirmation
  • vorst monarch, sovereign, ruler
  • vorstendom principality
  • vreemd foreign, strange
  • vriend friend
  • vrijboer farmer owner 
  • vrijdag Friday
  • vrijgezel bachelor
  • vroedmeester man who assists in childbirth
  • vroedvrouw midwife
  • vroeg(tijdig) early (a.m.), prematurely, untimely
  • vroeger formerly, earlier
  • vrouw woman, wife, Mrs.
  • vrouw(spersoon) wife, woman, female
  • vrouwelijk female
  • V.W.C. Dutch West Indies Company
  • vijf five
  • vijfde fifth
  • vijfentwintig twenty-five
  • vijfentwintigste twenty-fifth
  • vijftien fifteen
  • vijftiende fifteenth
  • vijftig fifty
  • vijftigste fiftieth

W

  • waar where
  • waaraan which
  • waarheen where to
  • waarom why
  • wagenmaker cartwright, wagon builder, coach builder
  • wanneer when
  • wapen heraldic crest, coat of arms
  • waren were, goods
  • was was
  • wat what, how
  • waterzucht dropsy
  • weduwe widow
  • weduwnaar widower
  • week week
  • weeskamer orphan's court
  • weeskind orphan
  • wegens because of
  • weinig little, small, few 
  • welk(e) which
  • wellicht maybe, perhaps
  • werkman laborer
  • west west
  • wet law
  • wethouder alderman
  • wettelijk legal
  • wettelijk kind legitimate child
  • wettig lawful, legal
  • wever weaver
  • wie who
  • wieldraaijer wheelwright
  • wil will, desire, wish, consent
  • wilde(n) Indian(s) (in New York), savage(s)
  • willen to want to
  • winkelier(ster) shopkeeper male (female)
  • winter winter
  • wintermaand winter month,December
  • wit white
  • woensdag Wednesday
  • wonende residing
  • woonachtig resident, living at
  • woonplaats residence, domicile, dwelling place
  • woordenboek dictionary
  • worden to become, be
  • woud forest
  • wij we
  • wijk district, area, section, ward
  • wijlen late (deceased), the late, blessed
  • wijnmaand wine month, October

X

Y

IJ

  • ijs ice
  • IJsland Iceland
  • ijzer iron
  • ijzer smelterij iron foundry
  • ijzersmid smith, blacksmith
  • ijzerwaren hardware
  • ijzerwerker ironworder

Z

  • zaken trade, business, case, affairs
  • zaterdag Saturday
  • ze they, she
  • zeeman sailor
  • zeepzieder soap maker
  • zelfde the same
  • zes six
  • zesde sixth
  • zesentwintig twenty-six
  • zesentwintigste twenty-sixth
  • zestien sixteen
  • zestiende sixteenth
  • zestig sixty
  • zestigste sixtieth
  • zetten to place, put, impose
  • zeven seven
  • zevende seventh
  • zevenentwintig twenty-seven
  • zevenentwintigste twenty-seventh
  • zevenstigte seventieth
  • zeventien seventeen
  • zeventiende seventeenth
  • zeventig seventy
  • zie see
  • ziekte disease, illness
  • zomer summer
  • zomermaand summer month, June
  • zondag Sunday
  • zonder without
  • zoon son
  • zoontje little son, small son
  • zou should
  • zuid south
  • zuigeling baby, suckling
  • zuivelboer dairy farmer
  • zuster sister
  • zwager brother-in-law
  • zwakheid weakness
  • zwakte weak
  • zwanger pregnant
  • zwart black
  • zwarten Negroes, blacks
  • Zweden Sweden
  • zweeds Swedish
  • zwelling swelling, tumor
  • Zwitserland Switzerland
  • zwitsers Swiss
  • zij she, they
  • zijn its, his, to be, are
  • zijrivier tributary, river, stream